Submers Onderwaterwereld

Bijzondere dwaalgast in de IJssel

Onlangs is in de Gelderse IJssel een zeer bijzondere vangst gedaan van een Kleine marene. Waarnemingen van deze soort zijn uitermate zeldzaam en in de meeste gevallen gaat het om foutief gedetermineerde Houtingen of houtingachtigen.

Kleine marene (Coregonus albula; foto 1) is doorgaans geen riviertrekvis maar komt met name voor in stuwmeren in het stroomgebied van de Ruhr, in de Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen. Aangenomen wordt dat dit familielid van de Zalm incidenteel via uitspoeling het Nederlandse deel van het Rijnstroomgebied weet te bereiken. Er zijn slechts enkele waarnemingen in Nederland bekend, met name uit de eerste decennia van de vorige eeuw, waarvan de determinatie echter ter discussie staat. Ook uit de jaren negentig zijn enkele meldingen bekend van de Kleine marene, maar van geen van deze waarnemingen is bewijsmateriaal beschikbaar. Recente waarnemingen zijn, voor zover bekend, niet geregistreerd.

Fig. 1 Kleine marene (C. albula; foto J. Bosveld, Bureau Submers)

De groep van houtingachtigen of marenen, de zogenaamde coregoniden, omvat een grote verzameling populaties die gedurende de laatste ijstijden een dynamisch verleden hebben gekend. Door afwisselende herkolonisatie en isolatie is er een soortenzwerm in wording ontstaan, waarbij taxonomen het onderling niet eens zijn welke populaties als aparte soorten moeten worden beschouwd. Nauw verwant aan de Kleine marene zijn de Noordzee houting (C. oxyrinchus) en Grote marene (C. lavaretus). Houting is in het Rijnstroomgebied zeer sterk in aantal toegenomen nadat in 1992 is begonnen met een grootschalig uitzetprogramma in Duitsland op basis van een Deense entpopulatie. Ook in de IJssel wordt de Noordzee houting sinds de laatste jaren met enige regelmaat gevangen door sportvissers. Grote marene wordt daarentegen sporadisch bij ons waargenomen en vindt waarschijnlijk als ‘afzakker’ vanuit de bovenstroomse delen en meren van het Rijnstroomgebied zijn weg naar het Nederlandse deel van de Rijn.

De Kleine marene onderscheidt zich van genoemde soorten door de duidelijk bovenstandige bek (zie foto 2). Ook typisch voor de soort is het haringachtige uiterlijk en 82 – 84 schubben op de zijlijn (C. oxyrinchus: 80 – 90; C. lavaretus: 95 – 98). Andere diagnostische kenmerken betreffen onder andere het aantal kieuwboogaanhangsels op de eerste kieuwboog, dat bij de Kleine marene 42 – 47 bedraagt (C. oxyrinchus: 36 – 44; C. lavaretus: 33 – 42).

Fig. 2 De kop van de Kleine marene wijkt van andere Coregoniden af door de duidelijk bovenstandige bek (foto J. Bosveld, Bureau Submers)

Net zoals alle houtingachtigen is de Kleine marene kwetsbaar en erg gevoelig voor lage zuurstofconcentraties. Ook het recent gevangen exemplaar was kort na de vangst helaas al dood. De marene is meegenomen en geconserveerd.

Tekst en foto’s: Jeroen Bosveld, Bureau Submers

Zie ook:

> Bijzondere paaiers in de IJssel